We leven niet in een tijd van meer ziekten
We leven niet in een tijd waarin plotseling veel nieuwe ziekten zijn ontstaan. Wat we vandaag overal om ons heen zien, is iets anders. We zien steeds meer mensen die niet één aandoening hebben, maar meerdere tegelijk. Mensen met vermoeidheid én pijn. Met hormonale ontregeling én darmklachten. Met ontsteking, stemmingsproblemen, cognitieve klachten en een lichaam dat nooit meer echt tot rust lijkt te komen. Deze opeenstapeling van diagnoses is geen toeval en geen mysterieuze samenloop van omstandigheden. Het is het gevolg van een lichaam dat te lang heeft gefunctioneerd zonder toegang tot herstel.
De geneeskunde is historisch gebouwd op het idee dat ziekten los van elkaar bestaan. Eén orgaan, één diagnose, één protocol. Dat model werkte goed zolang ziekten acuut waren en herstel vanzelfsprekend volgde. Maar de lichamen die we vandaag zien, passen daar niet meer in. Ze bewegen zich niet meer binnen één ziektebeeld, maar langs een glijdende schaal van ontregeling, waarbij klachten verschuiven, elkaar overlappen en elkaar versterken. Wat we dan vaak “multimorbiditeit” noemen, is in werkelijkheid geen verzameling van afzonderlijke problemen, maar de uitdrukking van één lichaam dat structureel geen ruimte meer heeft om te herstellen.
Wanneer een lichaam langdurig niet kan herstellen, verandert zijn manier van functioneren. Energie wordt niet langer ingezet voor reparatie, maar voor bescherming. Ontsteking wordt niet meer tijdelijk, maar basaal. Aanpassing wordt niet meer flexibel, maar rigide. Het lichaam raakt niet kapot; het wordt voorzichtig. Het blijft doen wat nodig is om te overleven, maar stelt herstel telkens opnieuw uit. In zo’n toestand kan een mens jarenlang doorgaan, soms zelfs met ogenschijnlijk normale waarden en onderzoeken die niets afwijkends laten zien. Maar onder die oppervlakte is de richting veranderd. Niet richting herstel, maar richting overleving.
Dit is precies waarom zoveel mensen zeggen dat ze alles hebben geprobeerd en toch alleen maar zieker zijn geworden. Niet omdat al die behandelingen verkeerd waren, maar omdat ze plaatsvonden in een lichaam dat geen hersteltoegang had. In een systeem dat zich permanent in bescherming bevindt, is geen enkele interventie neutraal. Zelfs goedbedoelde zorg vraagt energie, vraagt aanpassing, vraagt verwerkingscapaciteit. Wanneer die capaciteit ontbreekt, wordt behandeling zelf een belasting. Dan stapelen therapieën zich op, nemen gevoeligheden toe en verschuiven klachten van het ene domein naar het andere, zonder ooit echt te verdwijnen.
Wat in deze hele ontwikkeling ontbreekt, is een eerste, fundamentele vraag. Niet: wat is de diagnose, en niet: welk protocol hoort hierbij, maar: is dit lichaam op dit moment in staat om te herstellen? Dat is de vraag die vrijwel nooit expliciet wordt gesteld, maar die alles bepaalt. Wanneer herstel na rust niet optreedt, wanneer kleine prikkels leiden tot terugval, wanneer klachten zich cumuleren en herstel onvoorspelbaar wordt, dan functioneert het lichaam in een toestand waarin behandeling niet kan landen. Dan staat het herstelslot gesloten.
Voor mensen met meerdere, langdurige aandoeningen is dit bijna altijd het geval. Zij zijn jarenlang behandeld alsof herstel vanzelfsprekend was, terwijl niemand ooit heeft vastgesteld of herstel überhaupt mogelijk was. Hun lichaam werd benaderd alsof het zich in een stabiele toestand bevond, terwijl het in werkelijkheid al lang in een noodstand functioneerde. Het gevolg is dat zorg, hoe zorgvuldig ook bedoeld, uiteindelijk bijdraagt aan verdere uitputting.
Juist bij deze mensen is het essentieel om niet nog een behandeling toe te voegen, maar om te stoppen. Niet stoppen uit onmacht, maar stoppen uit bescherming. Wanneer de druk wegvalt, wanneer interventies worden teruggeschroefd en prikkels worden gereduceerd, gebeurt er vaak iets dat voor het eerst in jaren zichtbaar wordt. Het lichaam wordt niet meteen beter, maar het wordt ook niet slechter. Die stabilisatie is geen stilstand en geen falen. Het is het eerste teken dat hersteltoegang langzaam terug kan keren.
Vanaf dat moment wordt tijd belangrijker dan inhoud. Niet wat iemand aankan, maar hoe lang herstel nodig heeft en of dat herstel daadwerkelijk plaatsvindt. Bij mensen met langdurige, complexe ziektebeelden is het herstelvenster vaak extreem smal en traag. Dat vraagt geen ambitie, geen doorzettingsvermogen en geen optimalisatie, maar respect voor tempo. Elke stap die sneller gaat dan het herstel, duwt het systeem opnieuw richting bescherming. Elke stap die binnen het herstelvenster blijft, kan voorzichtig ruimte creëren.
Wat dit perspectief confronterend maakt, is dat het ons dwingt te erkennen dat veel van de ziekten van deze tijd niet zozeer nieuwe pathologieën zijn, maar het gevolg van een langdurig verlies van hersteltoegang. We hebben niet te weinig behandeld, maar te lang doorbehandeld zonder te vertragen. Niet omdat we het niet wisten, maar omdat we geen taal en geen structuur hadden om op tijd te stoppen.
Dit is waarom het verhaal van richting zo essentieel is. Niet als abstract concept, maar als biologische realiteit. Een lichaam dat geen herstel toelaat, kan niet genezen worden door meer te doen. Het kan alleen beschermd worden totdat herstel weer mogelijk wordt. Dat is geen passieve houding, maar een actieve, ethische keuze.
Wanneer we dat durven erkennen, verandert niet alleen hoe we naar ziekte kijken, maar ook hoe we naar zorg kijken. Dan wordt duidelijk dat veel mensen niet falen op behandeling, maar dat behandeling te vroeg is gekomen. Niet bij het genezen van ziekten, maar bij het terugbrengen van iets wat in de moderne zorg bijna onzichtbaar is geworden: de mogelijkheid om te herstellen.